Diagram: de vijf fasen van rouw als stippellijn, met daar dwars doorheen de golvende beweging tussen verlies en leven

Rouw verloopt niet in fases. Dit is wat wél klopt.

Acht maanden na de dood van je moeder vraagt iemand hoe het gaat, en je hoort jezelf zeggen dat het beter gaat. Twee dagen later sta je in de winkel bij de yoghurt die zij altijd kocht, en is er van dat “beter” niets meer over. Je denkt: ik doe iets verkeerd.

Dat denken bijna alle rouwenden een keer. En bijna altijd komt het door hetzelfde: de vijf fasen van rouw — een model dat al meer dan vijftig jaar rondgaat en dat nooit over rouw ging.

Dit artikel is voor twee lezers tegelijk. Voor wie zelf een verlies draagt, en voor wie beroepsmatig met rouwenden werkt. De inzichten zijn dezelfde. De kaders onderweg zijn voor de begeleider.


Deel 1 · De mythe

Waar de fasen van rouw vandaan komen

In 1969 schreef psychiater Elisabeth Kübler-Ross On Death and Dying. Ze sprak met meer dan tweehonderd mensen die zelf stervende waren, en beschreef hoe zij omgingen met hun eigen naderende dood: ontkenning, boosheid, onderhandelen, verdriet, aanvaarding.

Twee dingen zijn daarbij belangrijk. Ze schreef niet over nabestaanden. En ze bedoelde het niet als een trap die je afdaalt.

Toch werd het model vrijwel meteen op rouw geplakt, en het is blijven plakken. Dat is niet gek: het belooft orde. Vijf fasen, een volgorde, een eindpunt. Wie weet in welke fase hij zit, weet hoe ver hij nog moet.

Alleen: wie het onderzocht, vond die volgorde niet terug. Onderzoek onder nabestaanden — zowel na verlies door ziekte als na plotseling, gewelddadig verlies — laat geen vaste opeenvolging van fasen zien (Holland & Neimeyer, 2010). Rouwonderzoekers waarschuwen inmiddels expliciet dat het fasenmodel mensen op een verkeerd spoor zet (Stroebe, Schut & Boerner, 2017).

Fasen beloven een eindpunt. Rouw doet dat niet — en dat is minder wreed dan het klinkt.

Want het omgekeerde geldt ook. Als er geen volgorde is, kun je ook niet achterlopen. Je zit niet vast in fase twee. Je bent niet te lang bezig. Er is geen schema waar je uit valt.


Deel 2 · Wat wél klopt

Rouw verloopt niet in stappen, maar in beweging

Er is wél veel bekend over hoe rouw zich gedraagt. Vier dingen komen in vrijwel elk goed onderzoek terug — en ze zijn allemaal minder streng dan een fasenmodel.

Vier dingen die wél kloppen

Geen trap, wel een beweging

Elk van deze vier haalt een stukje schuld weg bij wie rouwt.

01

Je slingert

Momenten waarop je naar het verlies toe gaat, en momenten waarop je met het leven bezig bent. Gezond rouwen is juist het heen en weer tussen die twee (Stroebe & Schut, 1999).

02

Het komt in golven

Niet gelijkmatig aflopend, maar in uitbarstingen — vaak losgemaakt door een geur, een liedje, een datum. Ook maanden later nog.

03

De band verdwijnt niet

Loslaten is geen voorwaarde om verder te kunnen. De relatie verandert van vorm: van iemand die er is, naar iemand die je meedraagt (Klass e.a., 1996).

04

Je lichaam rouwt mee

Slaap, concentratie, energie, weerstand. Rouw legt beslag op je systeem; minder aankunnen is een normale reactie, geen achteruitgang (O'Connor, 2019).

Het duale procesmodel (Stroebe & Schut, 1999): rouw pendelt tussen gericht zijn op het verlies en gericht zijn op het leven dat doorgaat. De richting telt, niet de dip.

Dat slingeren verklaart iets wat veel mensen als verraad voelen. Je kunt 's ochtends lachen om een oude foto en 's middags stilvallen bij een liedje in de winkel. Dat is geen terugval en geen ongevoeligheid. Dat is precies het mechanisme dat mensen door verlies heen draagt.

Wie alleen in het verdriet blijft, put uit. Wie het verdriet volledig wegduwt, komt het later alsnog tegen — meestal met rente. De beweging tussen die twee is het werk.


Deel 3 · Op een zware dag

Drie dingen die je kunt doen als het je overvalt

Geen programma, geen huiswerk. Drie kleine dingen die je op een moeilijk moment kunt doen, elk in minder dan drie minuten.

  • Zet je voeten op de grond
    Beide voeten plat, voel de vloer. Zeg dan in gedachten wat er is, op afstand: “ik merk dat er verdriet is” — niet “ik ben verdrietig”. Adem drie keer langer uit dan in. De golf hoeft niet weg; hij moet er alleen doorheen kunnen.
  • Schrap iets, in plaats van iets toe te voegen
    Kijk naar je dag van morgen en haal er één ding af. Een afspraak, een klus, een mail. Vervang het door niets. De meeste adviezen vragen je iets extra's te doen — in rouw ontstaat ruimte juist door weg te laten.
  • Bewaar één zin
    Schrijf op wat je van deze persoon meedraagt. Eén zin, meer niet, en zet hem ergens waar je hem terugziet. Dat is geen afscheid — het is de vorm waarin de band verdergaat.
Voor jou als begeleider

Deze drie zijn in een sessie bruikbaar als derde object: leg iets tussen jullie in en laat de cliënt aanwijzen in plaats van vertellen. Dat verlaagt de verbale eis precies daar waar woorden nog niet lukken.

In De Rouwkoffer voor Volwassenen zijn dit de bijbehorende werkbladen: RV-08 Het veranderde landschap (wat is verdwenen, wat staat er nog), RV-10 Het gevoelspalet (differentiëren tussen verdriet, schuld, boosheid, opluchting) en RV-13 Het lijf rouwt mee (de fysieke achtergrondbelasting van verlies).


Deel 4 · De grens

Wanneer rouw meer is dan rouw

Rouw is geen aandoening. Voor de meeste mensen wordt de pijn met de tijd draaglijker, ook als het gemis blijft. Bij ongeveer één op de tien rouwenden gebeurt dat niet (Lundorff e.a., 2017). De rouw blijft dan even intens, blokkeert het dagelijks leven en verandert al maandenlang niet.

Dat heet een persisterende rouwstoornis, sinds kort een erkende diagnose (ICD-11; DSM-5-TR). Het is geen kwestie van te weinig veerkracht. Het is een herkenbaar patroon, en het is behandelbaar (Boelen & Smid, 2017).

Signalen om serieus te nemen
  • De intensiteit verandert al maandenlang niet en je leven staat stil.
  • Je vermijdt structureel alles wat aan het verlies herinnert — of je zoekt juist alleen nog contact met wie er niet meer is.
  • Je gebruikt alcohol, medicatie of werk om het weg te houden.
  • Je hebt gedachten over dood willen zijn of jezelf iets aandoen. Wacht dan niet: bel je huisarts, of de Zelfmoordlijn op 1813 (Nederland: 113).

Waar je terechtkunt

Rouw je zelf? Voor persoonlijke rouwbegeleiding kun je terecht bij onze groepspraktijk Thuja Training. Geen traject dat je moet volhouden, wel iemand die met je meekijkt — en die het onderscheid kent tussen rouw die beweegt en rouw die vastloopt.

Begeleid je iemand anders? Het onderscheid tussen normale rouw, een persisterende rouwstoornis, een depressie en posttraumatische stress is klinisch werk. In De Rouwkoffer is daar de Indicatiewijzer (RV-01) voor: risicofactoren, differentiaaldiagnose en de grens tussen begeleiding en behandeling.

Gratis gids

Ruimte voor jouw rouw

Vijf evidence-based inzichten en oefeningen voor dagen dat het zwaar is. Negen pagina's, met de oefeningen uit dit artikel en twee die er niet in staan — plus een kader over wanneer het meer dan rouw is. Voor wie zelf rouwt, en om door te geven aan wie je begeleidt.

Download de GRATIS gids

De Rouwkoffer voor Volwassenen
Voor professionals

De Rouwkoffer
voor Volwassenen

Zestig evidence-based tools over zeven fasen, van indicatiestelling tot afronding. Elke tool met handleiding, sessiemateriaal en microtools — gebouwd op het duale procesmodel, rouwtaken en betekenisreconstructie.

Bekijk de koffer

Ook uit de Thuja Roots-reeks

Psychologe Nadia

Cognitieve en arbeids- & organisatiepsycholoog. Groepspraktijk Thuja Training. Ontwikkelt bij Thuja Roots evidence-based werkmateriaal voor psychologen, orthopedagogen en rouwbegeleiders — omdat goed materiaal je niet mag laten zoeken op het moment dat het ertoe doet.

Bronnen
  1. Kübler-Ross, E. (1969). On death and dying. Macmillan.
  2. Holland, J. M., & Neimeyer, R. A. (2010). An examination of stage theory of grief among individuals bereaved by natural and violent causes. OMEGA, 61(2), 103–120.
  3. Stroebe, M., Schut, H., & Boerner, K. (2017). Cautioning health-care professionals: bereaved persons are misguided through the stages of grief. OMEGA, 74(4), 455–473.
  4. Stroebe, M., & Schut, H. (1999). The dual process model of coping with bereavement. Death Studies, 23(3), 197–224.
  5. Klass, D., Silverman, P. R., & Nickman, S. L. (Eds.). (1996). Continuing bonds: new understandings of grief. Taylor & Francis.
  6. O'Connor, M.-F. (2019). Grief: a brief history of research on how body, mind, and brain adapt. Psychosomatic Medicine, 81(8), 731–738.
  7. Lundorff, M., Holmgren, H., Zachariae, R., Farver-Vestergaard, I., & O'Connor, M. (2017). Prevalence of prolonged grief disorder in adult bereavement. Journal of Affective Disorders, 212, 138–149.
  8. Boelen, P. A., & Smid, G. E. (2017). Disturbed grief: prolonged grief disorder and persistent complex bereavement disorder. BMJ, 357, j2016.
Terug naar blog